Opleiding Researchinstrumentmaker

Wat leer je?

Wat leer je?
De opleiding Researchinstrumentmaker leidt je op tot een echte vakman of -vrouw in de fijnmechanische techniek. In de lucht- en ruimtevaart, in ziekenhuizen en tandartspraktijken, in televisiestudio's en computerbedrijven; overal kom je fijnmechanische techniek tegen. Zonder deze techniek geen knieprotheses, geen tandartsboor en geen internet.

In de werkplaats van school werk je aan opdrachten; je maakt producten en productonderdelen. Je leert werken met ‘verspanende technieken' als draaien, frezen, slijpen en polijsten. Je ontdekt hoe je werkt met onder meer roestvast staal, aluminium, keramiek, titanium en speciale kunststoffen. Je leert hoe je handbediende en volautomatische machines gebruikt.

Basisdeel
Het basisdeel bestaat uit:

  • een algemene basis met vakken als Engels, rekenen en burgerschap
  • een beroepsgerichte basis: je leert hoe je machines klaarmaakt voor productie, hoe je ze onderhoudt en hoe je materiaalbewerkingen uitvoert.

Deze basis is gelijk voor alle richtingen in het dossier Precisietechniek: Verspaner (niveau 2), Allround Verspaner (niveau 3), Gereedschapsmaker (niveau 3), Instrumentmaker (niveau 3) en Researchinstrumentmaker (niveau 4).

Profieldeel
Het profieldeel bestaat uit taken die horen bij de richting die je hebt gekozen, in dit geval Researchinstrumentmaker. Je leert in dit profieldeel omgaan met de programmeertaal CNC voor machines en je leert hoe je een prototype (eerste exemplaar van een nieuw product) ontwerpt.

Keuzedeel 
De opleiding kent ook een keuzedeel. Binnen het keuzedeel kies je zelf vakken waarmee je:

  • je kennis verbreedt
  • je kennis verdiept
  • je beter doorstroomt naar het HBO

Binnen dit deel kun je dus zelf keuzes maken. Je kiest bijvoorbeeld voor Inspelen op innovaties of Voorbereiding HBO wiskunde voor de techniek. Je vergroot hiermee je kansen op de arbeidsmarkt.

Verhouding theorie en praktijk
De beroepspraktijkvorming is een belangrijk onderdeel van de opleiding. Daarin doe je ervaring op en breng je in praktijk wat je op school hebt geleerd. Tijdens de beroepsopleidende leerweg (BOL) besteed je minimaal 20 procent van je studietijd aan praktijk in de vorm van stages. Als je voor de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) kiest, ben je minimaal 60 procent van de studietijd werkend aan het leren.

Kans op stage

Benieuwd naar de kans op een stage of leerbaan tijdens deze opleiding? Je ontdekt het per regio op kansopwerk.nl.